116.
Wij zullen gaan. Uit de stal staan de paarden, Verheugd voor den eersten lentetodht, klaar, Wij ruiken de gisting der geurende aarde, En 't hart valt ons (is 't vreugde of droefheid?) zwaar.
Waar 't Kidron en 't Hinnomdal samen komen, Zullen wij gaan naar de brekende bron, Wij zullen het woelend water zien stroomen Als levend zilver in de zilverzon.
Adil Effendi: met hem opgezeten Rijd ik zóó licht, als reed ik door mijn jeugd. Aan de zwaarte der dagen, die traag sleten, Meet ik de blijheid van ons beider vreugd.
En stappend hebben wij de stad verlaten, Langs het bonte leven der Jaffapoort. Wij dalen. Hoor: van de versleten straten Wordt al minder en al minder gehoord.
Het dal. Diepe stilte houdt ons bevangen, Waardoor de zon zijn blijde zijde spint. Wij ademen verlicht. Langs onze wangen Vaart weelde van den warmen lentewind.
Hier in het wonder van geurende tuinen Bloeit het wonder van de brekende bron. De vruchtboomen, met hun ontloken kruinen, Openen zich als één bloem naar de zon.
Hier is de bron met zijn zwaar-kloppend wonder. Het water breekt als het bloed in mijn hart. Opslag en neerslag. Het dringt schuimend onder, En schuimend boven, bont van wit en zwart.