115.
En ieder donker uur doet ons gevoelen, Hoe rijk de zomer hier kan zijn aan zon. Laat het water diep in de beken woelen En klaterend zich breken uit de bron.
Zal dezen winter de Jobsbron zich breken In overval van water naar het dal? Of de beek van Mamilla met de beken Des Sultans zich schuimend vereenen zal?
Des nachts: ik lig met wind en regen wakker, Of heb ik van wind en regen gedroomd? Wat hoor ik? Achter ons huis over den' akker? Is het de beek van Mamilla, die stroomt?
Het is de beek. Des ochtends bij 't verklaren Der donkre uren zie ik zijn rijk geweld. God geeft geluk. Een oogst, genoeg voor jaren Zegent in één jaar het heuvlende veld.
Later komen van Silwan de Arabieren, Zij vieren feest in blij-gebonden vreugd. De Jobsbron breekt zijn water als rivieren Naar het dal, zwaarder dan het de oudsten heugt.
Het land geploegd. Al langs de smalle wegsn, Als de zon schijnt, ziet men de zaaiers gaan. Gelijk, de winter ons geeft van zijn regen, Geeft ons de zomer van zijn ruischend graan.
II
Dagen lang heeft de sneeuw in ban geslagen Straten der stad en banen van het veld. Nu luwt de lucht, de zon schijnt, wijl in 't vlagen Van zachten lentewind de sneeuw versmelt.