117.
Wie. smeedt het zilver van het smijdend water? Wie smeedt: het zilver van de stralen zon? Eén zijn in 't werk land en water. En later Is één in 't brood, de macht van zon en bron.
Wij proeven in den wijn den weidschen zegen, Dien de druif zich uit zon en water zet. En onze lippen, tot den kelk genegen, Wijden den wijn te voren met gebed.
En mijmerend, in één geluk gevangen, Beleef ik, wind, zon, water, als een droom. Mijn hart, dat als de bron klopt, stuwt zijn zangen, Gelijk de bron zijn beken sterk van stroom. .
III
En in den nacht: weer lig ik luistrend wakker, Maar stil zijn nu de regen en de wind. Terwijl achter ons huis over den akker De beek van Mamilla zijn stroomen rint.
Ik droom. Ben 'k wakker te Jeruzalem? Of droom ik wonderwakend te Amsterdam? 't Is alles één, Mijn Volk, u roept één stem, In alle steden, die ook tot mij kwam.
Amsterdam, Jeruzalem: 'k heb gelaten, Daar niets, dat ik hier niet schooner gewon. Waar bloeien vruchtboomen langs uwe straten? Waar breekt te Amsterdam een hartrijke bron?
De bronnen roepen ons. En de open akker Roept naar zijn volk onder de milde lucht, In ons land is leven voor eiken makker, Die leven wil en 't naakt werken niet ducht.