113.
Wij ploegden 't land, wij ploegden 't wijde water, Onder al sterren, onder elke lucht, Den vriend beschuttend, voor geen wreeden hater In lagen of in open strijd beducht.
Gelijk 't land zullen wij weer 't water ploegen. Niet oim de. winst verheugd, maar om 't bedrijf. Waar de vaders in barre banschap zwoegen, Worden de zonen stout van ziel en lijf.
Wij leden eeuwen van wreede verdrukking. Nog zijn wij niet gebroken door hun haat. Dichter van mijn Volk, in ééne verrukking Bind ik dit schoon in rijm en rijke maat.
En als een Vacler zijne zonen zegent, Zegen ik 't eerste schip der Joodsche Vloot. Waar door stormtocht gebroken zeeschuim regent, Vindt het veilig zijn vaart door nood en dood.
God moog het zegenen en het behoeden, Menig rijk jaar langs menig wijde baan. Waar zeeën breken en de stormë*!! woeden, Is geen schip, dat Gods wegen ging, vergaan.
De zee ligt open. Heel de lucht ligt open. Wij staan in één teed're spanning geschaard. Het schip, van zooveel harten 't blijde hopen, Zoekt wind en zee, vrijheid en volle vaart.
8
Het Joodsche Lied