112.
HET EERSTE JOODSCHE SCHIP
De zee ligt open, Heel de lucht licht open. Wij staan in sidd'rende spanning geschaard. Het eerste schip zal straks van stapel loopen, Geeft God het goeden gang en vrije vaart?
Ons eerste schip, een wereldwijde vloot, Zal wind en water weer voor ons veroveren. Joodsche matrozen stout in storm en nood, Mogen al makkers met hun moed betooveren,
Hoe zingt het door mijn lied: Joodsche matrozen, Zij vreezen niet, waar de stormvloed begint. Op hun donk're wangen bloeien de rozen Van zon, van regen, van den ruimen wind.
Wij ploegden 't land, wij ploegden 't wijde water Onder sterren van allen weidschen stand. Verder dan één vriend, verder dan één hater Haalden wij schatten uit elk heerlijk land.
Toen Israël zegende zijn twaalf zonen, Zegende hij Zebulon niet het minst, Wiens mannen langs het wijde zeestrand wonen, Vinden, een wereld open voor hun winst.
En Salomon zond zijne wijde vloten Oostwaarts heen, oostwaarts, om schatten van goud. Wij voeren, waar de stoutste der genooten Ver van 't land het woelend water mistrouwt.
Toen wij weer in Egypte machtig waren, Zonden Joodsche reeders een Joodsche vloot, Met Joodsche manschap, over wijde baren, Naar 't rijke Rome met vruchten en brood. '