111.
De wind kust mijne wangen mild en teeder. Ik voel het water woelen in den grond. Zoo waar God leeft, zoo waar wij leven, weder Wordt ons Volk hier een volk vroom en gezond.
Al onze knapen als de blijde knapen, Die hier wachten hun prijs en hupnen lof. Open van oog, hun leden kloek geschapen. En heel ons Land zal zijn als deze Hof.
Van schaduw rijk en vol van wellend water, Van bloemen bont, rood, blauw en brandend geel, Het Heilig Land schooner dan één theater En ons leven schooner dan schouwtooneel.
Als, gij, mijn Volk, keert tot uw vrije velden, Als gij keert tot der aarde moederkracht, Het schoonste, dat uw Profeten voorspelden Vervult gij door vroomheid en vaste macht.
Keert tot Uw velden, o, bezwaarde zwervers,
En valt het eindelijk wachten u lang,
God weet uw tijd. Eens kust den droeven dervers
Schaduwwind van 't Heilig Land mond en wang.
Keert tot uw Volk met uw lied, Joodsche Dichters, Alleen hier vindt uw Lied een eigen aard. En gij, Knapen, onze Zonen en Stichters, U looft mijn lied in uw bloeienden gaard.