110.
En in het leed heeft mijn Lied zwaar gezwegen, Hoe zal het zwijgen, waar de volle wind Door boomen breekt, waar hier de zon een zegen Van licht en schaduw door de takken spint?
God heeft verhoord: Zijn wind waait door de boomen, O, Hart van Israël, hoor naar Zijn Stem: Het uur van de bevrijding is gekomen Voor 't Heilig Land en voor Jeruzalem.
Wel valt het wreed, het eindelijke wachten, Liefde en verlangen meten ieder uur. Mijn Volk, bewaar geduldig al uw krachten, Geen rijke vrucht rijpt zonder tucht en duur.
En gij, die knapen waart in de enge steden, In de enge straten, hier zijt gij herbloeid. Het Joodsche bloed stroomt weer sterk door uw leden Wijl heel een zomer in uw oogen gloeit.
Gij zijt in tucht wedergekeerd tot de Aarde, Wie werken wil, vindt rijker dan één Stad Hem geven kan, in de bloeiende gaarden Aan moed en macht, aan onbesomden schat.
En wie den dorren grond hier weer zag breken In één weelde van water en geplant, Die weet, wat wij tot in de dorste streken Weer zullen maken van ons Heilig Land.
En als •wij twijfelen. . . . ziet in hun oogen, Van deze Knapen, ons hoopvol geslacht. Ruik den grond vochtig, voel hoe van den hoogen De schaduw strijkt met zoele, koele pracht.