109.
GELUKKIG FEEST
Dit is wat mijn hart zocht: wind door de boomen, En schaduw van de zoele speelsche zon. Wij zijn, gasten, hier uit de stad gekomen Voor 't feest, omdat de vacantie begon.
Buiten. De tuin rijker dan één theater, En 't leven schooner dan één schouwtooneel. De boiomen hoog en zwaar van zwellend water, De bloemen veel: rood, blauw en brandend geel.
De jongens: vol verlangen zijn zij allen. De besten krijgen straks hun prijs en lof. Voor 't werk in school, in kas in de stallen, Op de open akker, in den bloemenhof.
Open het Feest: de Heeren spreken Engelsch, Zij spreken rijk Hebreeuwsch, zij spreken Fransch. Ik bewonder verteederd al die bengels Zoo kloek-gebruind in zonnebrand en glans.
En in de schaduw bouwen daar de tafels, Straks voor de gasten, witte en roode wijn, Paarlende druiven, room en broze wafels, Amand'len als in geen land zoeter zijn.
O, mijn Volk: hier herleeft uw Heilig Land, Dichters van Israël, hier leeft uw lied, Hier bindt één taal harten in vasten band, Breekt banloos dwalen ons de voeten niet.
Jeruzalem: hoe heb ik daar geleden, Mijn hoofd gelegen op den Tempelmuur, En getwijfeld. .. . verhoort God onze beden, Reikt Zijn Eeuwigheid ons het Eind'lijk Uur?