107.
ROEPSTEM
Den Roem van het Hollandsche lied Neem ik mee naar het Joodsche Land. Mijn hart vergeet u niet,
Holland, mijn Holland aan het verre vaderlandsche
strand.
Het land van mijn jeugd, Het land van mijn manschap,
Van mijn peinzende droefheid, mijn juichende vreugd Van al mijn verwantschap.
Al uw schoon vind ik zeker weer: Wolken, water, zon en weide, In ons land, dat mild en teer, Zijn verdreven volk beidde.
En ik ga, gelijk wolken gaan Wanneer de zon hen trekt, Wie zal Gods roep weerstaan, Die Zijn Volk wekt?
En ik ga, gelijk de dagen gaan, Ik ga gelijk de nacht. Wie zal er leven en weerstaan Van zijn innigste leven de kracht?
Wat sterren bindt aan hun baan
De zon bindt aan zijn loop
Dat bindt den Dichter aan
Zijn Volk, Zijn Droom, zijn Daad en Hoop.
Mijn Volk, mijn Land, mijn Lied, Hoe kunnen zij gescheiden? Op de kentering van de Tijden Houdt Holland en één land ons niet.