106.
DE PELGRIM VOOR JERUZALEM
Ik trok door diepe dalen,
Maar weder wint mijn weg den hellen top.
Met hijgend ademhalen,
Houd ik mijn open lippen op.
Mij kust de wind, en kust de zon,
Als toen mijn leven zijn tochten begon.
Beneden bloeit het Oosten, Een Stad, Jeruzalem, als witte bloemen teer. Wat ik won, waar ik zwierf, waar ik poosde, Tot u, Stad van mijn Land, keert mijne ziel aanbiddend weer.