105.
En nu? Verloren strekken uwe straten En de wegen om u heen. Uw zonen hebben u in angst verlaten Elk volk bracht hen tot wreed geween.
Met uw blindgeslagen oogen Staart gij onbewogen In den nacht der eeuwen uit:
O, Moeder, eens zoo jong, zoo schoon, Gods blijde
Bruid.
En wakend in den donk'ren dag Heb ik om man en macht gesmeekt Die de ontucht van uw heerschers breekt En uw Zonen herstelt in hun gerecht gezag. Want ik was toen een vrome Knaap In mijn Moeders veiligheid. En mijn waken en mijn slaap Was uw liefde en heiligheid. Elk getij, bij vreugde en klacht Heb 'k U, Jeruzalem, Stad van mijn Land, in trouw
gedacht.