104.
Hoe werd al mijn verlangen
Vervuld in uw gezangen,
Mijn Vader was mijn Meester en ik leerde
Van ons trotsch Volk het wislend lotgeval:
Hoe de kans goed lag, hoe de kansen keerden,
Hoe vijand dreef, tuchteloos zonder tal.
Het leven van de vrome Vaders, !
Van kloeke duiders, van verraders,
Van stedendwingers en van stedenstichters
De sterke helden van het Volk en zijn ontwrichters.
En zoo vaak, tusschen waak en slaap,
Lag ik droomend, een vrome Knaap.
Moeder, Stad van mijn Land, laagt gij niet wakker,
Eeuwen lang in één blinden nacht?
En ziet ge uw Volk niet zwak en zwakker
Tot ramp en rouw; gebracht?
Gij staart naar het Noorden
Rusland: waar men 't Volk vermoordde.
Gij staart naar het Westen
Waar vergaan de late resten
Van het Volk in wederstand
Tegen ieder land.
En door den nacht zag ik uw׳ blik
Starend, onbewogen.
Geen vreugd mëer en geen schrik
In uwe leeggeweende oogen.
Moeder: zijt gij niet jong geweest
En Gods gewijde Bruid?
Gingen niet voor landspel en feest '
Uw volken in en uit?
En werd niet in uw open poort
Het Heiligst Recht gehoord?
Waren niet uw wegen
Weidsch van rijken zegen?