103.
Den Nieuwjaarsdag, wanneer van ieder leven De raimpspoed of de voorspoed wordt beschreven, Dag der Verzoening, Zegel op elk Lot, Het bloeiend Feest der broze looverhutten, Die het Volk veilig in vroomheid beschutten, Zoo mild en teer, de Dagen der Inwijding Herdenkend hoe het Volk bij zijn bevrijding In de heilige hoven van zijn Tempel Nog slechts één oliekruik vond met een ongeschonden
stempel.
O, Dagen van mijn, vrome jeugd, Stad van mijn Land, bij leed en vreugd, Bij voorspoed en bij overmacht Getrouw gedacht.
Eer ik u dan Jeruzalem vergete Vergeet ik mijne lippen en mijn tong; Was ik niet naast mijne Moeder gezeten Wier stem naar mijn stem de gebeden zong. Ter tafel aan het milde maal Tot uwen lof in uwe taal. En met mijn Vader, eiken dag drie malen Stond ik naar u, in vroom gebed gekeerd En in de schoonste van al schoone talen Heeft mijn hart zich voor u biddend, verteerd. Mijn Vader was mijn Meester, en ik leerde Van hem onze Taal als een baren schat, Geen man, die machtiger het goud begeerde, Dan ik verlangen naar zijn Woorden had. Ieder woord heb ik geduldig veroverd. Getrouwe tuoht heeft mijne jeugd bezield, Hoe vaak door de gewijde Taal betooverd Heb ik geweend en snikkende geknield.