Het Joodsche lied, 2de boek

Titel
Het Joodsche lied, 2de boek

Jaar
1921

Druk
1921

Overig
1ed 1921

Pagina's
162



102.

De drijvers slaan, de droeve dervers weenen Eiken dag laat en eiken ochtend vroeg, Tot de Tien Wonderen hebben gebroken Hun ban en vreugd heeft al leed ruim gewroken. Met goud, met zilver, met een bonten buit Togen dienaars rijker dan meesters uit. En dit herdenken, is het niet beleven? Ik-zelf ben slaaf in Egypte geweest. Ik-zelf ben met de rij-zweep voortgedreven Wreed als rakkers drijven achter een beest. Herdenken is beleven. Geen dag blijder Dan het gewijde voortij van den Seider: Wanneer wij wijn donkren uit zilvren beker ״ En spraken Vaders vrome bede na: ״Heden in Holland, met Gods wil weldra Te Jeruzalem, onvervolgd en zeker".

Want op ieder getij, bij vreugde en klacht Stad van mijn Land, werd gij gedacht. Eer ik U dan, Jeruzalem, vergete, Vergeet ik mijne Moeder en mijn Jeugd. Waar wij rusteloos dolen of in vrede zijn gezeten Wij gedenken u, Stad, in weemoed en in vreugd. De tocht van 't vrome Joodsche Jaar Gaat van verlangen en herdenken zwaar.

Feest voor 't Ontvangen van de Wet Een rouwdag om 't beleg geslagen, Rouwdag, wanneer na een en twintig dagen Op uw gewijden grond, de voet der heerschers werd

gezet.

En wij vieren; wanneer de dagen dalen, De herfst in Holland bleekt huiverend-stil, Met harte-beden en vrome verhalen Den Maand der Feesten naar Gods heilgen Wil׳

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.