102.
De drijvers slaan, de droeve dervers weenen Eiken dag laat en eiken ochtend vroeg, Tot de Tien Wonderen hebben gebroken Hun ban en vreugd heeft al leed ruim gewroken. Met goud, met zilver, met een bonten buit Togen dienaars rijker dan meesters uit. En dit herdenken, is het niet beleven? Ik-zelf ben slaaf in Egypte geweest. Ik-zelf ben met de rij-zweep voortgedreven Wreed als rakkers drijven achter een beest. Herdenken is beleven. Geen dag blijder Dan het gewijde voortij van den Seider: Wanneer wij wijn donkren uit zilvren beker ״ En spraken Vaders vrome bede na: ״Heden in Holland, met Gods wil weldra Te Jeruzalem, onvervolgd en zeker".
Want op ieder getij, bij vreugde en klacht Stad van mijn Land, werd gij gedacht. Eer ik U dan, Jeruzalem, vergete, Vergeet ik mijne Moeder en mijn Jeugd. Waar wij rusteloos dolen of in vrede zijn gezeten Wij gedenken u, Stad, in weemoed en in vreugd. De tocht van 't vrome Joodsche Jaar Gaat van verlangen en herdenken zwaar.
Feest voor 't Ontvangen van de Wet Een rouwdag om 't beleg geslagen, Rouwdag, wanneer na een en twintig dagen Op uw gewijden grond, de voet der heerschers werd
gezet.
En wij vieren; wanneer de dagen dalen, De herfst in Holland bleekt huiverend-stil, Met harte-beden en vrome verhalen Den Maand der Feesten naar Gods heilgen Wil׳