101.
JERUZALEM
Door de nacht hoor ik uw stem, Stad van mijn Land: Jeruzalem:
Toen ik nog een blijde Knaap was In mijn Moeders veiligheid, Toen mijn waken en mijn slaap was Hare liefde en heiligheid.
Op elk getij, bij vreugd en klacht Werd gij getrouw gedacht.
Want de tocht van het Joodsche Jaar
Is het herdenken van den Tocht
Dien ons Volk ging, duister en zwaar
Waar elk volk ons te fnuiken zocht
Met mild beleid of fel geweld,
Benard in de stad of verdreven door het veld.
Want al de volken zijn gestorven, Die met ons Volk jong zijn geweest, Geen heeft als wij den Roem verworven Die tijden tart en wreed geweld niet vreest,
Egypte een naam. En Tyrië
Verwoest en woest Assyrië.
Edom, Amalek, het stout Babel:
De wind van den Tijd blies'hen weg als droom en fabel
En wij herdenken, als de dagen stijgen
De lente van Holland! bloeit diep en klaar,
Hoe Egypte 'ons met haten en met hijgen
Dreef tot den bouw van steden, trotsch en zwaar.
Dreef tot het bakken van de tichelsteenen
Nimmer geteld, maar nimmer ook genoeg,