KAMEELEN.
Zij stappen statig door de smalle straat.
Zij breken niets in de Bazar vol winkels.
Zij hebben elk een kleinen kameraad,
Die voert hen trotsch tusschen kijkende kinkels.
WOESTIJN.
In 't zand weerkaatst de hemel als in water.
In de Eeuwigheid verbloeit de bleeke maan.
De Woestijn. Wat is nu en wat is later? Menschen sterven en de sterren vergaan.
FACHMI.
Nooit zag ik zulk een stout en zeker ruiter,
Zoo licht gezeten op 't Arabisch paard.
Langs alle wegen vaart hij, een vrij buit er, Voor wien elk uur volle schatten bewaart.
VREDE.
Het Leven laat mij rust van mijn verlangen.
De Dood laat mij vrede van al mijn vrees.
En ik glimlach, terwijl ik mijne zangen Van verlangen en doodsangst weer herlees.
ONRUST.
O, de herfstdag, waarvan Windekind spreekt. „Geen schaduw schuift, geen takje kreunt of
[breekt"
Dwaas, dat ik achter zeeën, achter winden,
In een vreemd land den herfstdag dacht te
[vinden.
94