ZIJN BRIEF.
Hij glimlacht: „Vandaag moet ik een brief
[schrijven
Aan mijne Moeder. Ik schrijf elke week.”
Mijn Moeder stierf. Mijn donkre driften drijven Mijn hart stuurloos van streek tot streek.
JAFFA.
De Zee breekt schuimend tegen gindsche Kaap. Wat zoude er zijn achter dit eeuwig klotsen? Rustlooze Man, dwaas als een Knaap,
Daar breekt een zee tegen andere rotsen.
HAATLIJK LIED.
Dood: wat dringt ge mij van uw Macht te zingen, Dien ik niet kan ontvluchten, blind van haat. Ik heb 't Leven lief. En mijn liedren dringen Als gif in 't hart van wie blij door zijn leven gaat.
HET LIED.
Met mijne liederen verlamt gij ’t leven.
Van wie bekoord mijne kwatrijnen leest.
Dwaas Leven, waarom hebt ge mij gegeven,
’t Lied, dat den Dood prijst, dien gij bitter
[vreest.
DROEVIG LIED.
Ik heb ’t Leven zóó lief. O, kon ik prijzen Zijn milde macht boven macht van den Dood. Maar machtloos mijn Lied. Alle droeve wijzen Verlangen naar des stervens zachte nood.
93