DOMINICANEN.
Weer bevangt mij de stilte van hun klooster: Gangen en zalen zoel van 't Heilig Huis. Waarom vind ik geen troost bij hunnen Overal gast en nergens thuis. [Trooster?
AVOND.
De sterren aan de lage lucht.
De lichtjes in het dal.
De dag vergaat en geen gerucht Geleidt den avondval.
DE STERREN.
Nog kan ik wel de lage lichtjes tellen,
In het dorp daar beneden in het dal.
Het schemert en de trouwe sterren stellen Zich op naar maat en almachtig getal.
DE WIJN.
De wijn geschonken. Ik weifel te drinken. Gedronken wijn, wie drinkt hem immer weer. Wat weifelt ge? Uwe weifelingen zinken Reeds machtloos in den Afgrond neer.
DOODSANGST.
Omdat het Leven hier zóó prachtig is,
En alle dagen zijn aan wondren rijk.
Voel ik, dat de Dood overmachtig is En dat ik eiken dag bezwijk.
92