DE REIS.
Mijn Reis: de Droom beleeft het al te samen, De weelden van dezen bewogen Tijd.
Londen, Parijs, Napels: het zijn maar namen Voor één bewogen Eeuwigheid.
AAN ZEE.
Ik woon zóó dicht aan Zee, gelijk mijn Vader Ver in Amsterdam aan den Amstel woont.
De golven drijven door het zonlicht nader En breken schuim-gekroond
JERUZALEM.
Jeruzalem: ik lees in droom gevangen Wat ik vroeger te Napels peinzend schreef.
Wat is Uur of Tijd? Het is één verlangen Eén Droom, één Daad, dien ik overal leef.
NAPELS.
De huizen zoeken zon en zee en wind.
Overal dringend over de steile rotsen.
De wind wappert, de schuimen golven klotsen, Terwijl de zon zijn hooge tocht begint.
OP ZEE.
En droevig denk ik: „weder zijn wij verder Gescheiden door wind en door zonnegloed.” Vrees niet. Zon, wind en zeeën meet één Herder, Die schepen gelijk schapen hoedt.
89