STORM.
Ik denk aan hen, die met mij kindren waren, Terwijl de storm langs Jeruzalem gaat.
Als wind verwaaien al onze ij die jaren, Machtloos in liefde en machteloos in haat.
HEETE DAG.
Laat maar de zon het schreiend land ver-
[schroeien,
Schaatrend dwazen over den spleten grond.
De avond is koel. De klare sterren bloeien Over de wijdten van het hemelrond.
EEN STER.
Ik kus die ster.
En de ster kust u.
Wel ben ik ver,
Maar wij zijn samen nu.
MAANNACHT.
De Maan staat in zijn droom verzonken. Tusschen de bergen straalt het landschap stil. Laat mijne ziel van zomer volgedronken Die stralen rust, zonder één weet of wil.
KNAPEN BIJ DE BRON.
De grond breekt open: het gedreven water Dringt hijgend naar het licht en naar de zon. Mijn hart: zij verspelen met blij geschater,
Die jong en ledig zijn, hun leven bij de bron.
88