GRENZEN.
De Tijd kan niet één Ding Eeuwig bewaren. Alles vergaat. Maar het blijft altijd Iets.
De Stof drijft eeuwig-wisslend door de jaren. Maar eeuwig-wisselend wordt nimmer Niets.
MAANLICHT.
Het waait hier zalig met den avondval,
Is het de wind of waait de volle maan?
Ik weet niet, waar ik rustloos dwalen zal Maar dit geluk zal niet vergaan.
JERUZALEM.
O, wes en waar ik zwerven zal,
Jeruzalem vergeet ik niet.
De volle Maan, de sterrenval,
En de avondwind met zijn droef lied.
VOORJAAR IN HOLLAND.
„Het voorjaar is hier wel héél laat gekomen,” Schrijft hij uit Holland: „maar nu is het mooi. De blaren breken haastig uit de boomen.
En ’t Land bloeit bont in zijne bloemen tooi."
TWIJFEL.
Schrijf mij niet over Holland en de Mei.
Hoe mooi en mild die alle dagen is ... .
Neen: schrijf mij wel. Mijn onrust is voorbij. Rustig weet ik mijn werk en mijn gemis.
87