TIJD EN EEUWIGHEID.
Want hoe veel Eeuwigheden zijn gelegen In ’t Oogenblik, tusschen dien zomerdag,
Dat ik hem komen zag langs bloemenwegen, En nu ik zijn dood gedenk met geklag.
AAN EEN JONGEN DICHTER.
O, groet den Hollandschen zomer van mij.
Ik zend u den straffen groet van mijn zomer. Dank voor uw brief, verrukkelijke Droomer. Mijn Droom van Jeruzalem is voorbij.
AAN EEN JONGEN VRIEND.
Gij zult mijn brief in den zomer ontvangen. Geniet uw vrije zomerdagen goed.
Bloemen .... vogels met vroege en late zangen De vruchten berstend zwaar en zonnig-zoet.
HERINNERING.
O, waar gij woont, ben ik zoo vaak gegaan.
En uw adres herlezend op uw brief,
Slaan jaren wreg. Ik heb mijn jeugd zóó lief.
’k Heb veel genoten en weinig weerstaan.
IETS TEDERS.
Er is toch wel iets teders in het leven:
Een jongen heeft mij postzegels gevraagd.
En ik heb hem een vollen brief geschreven Terwijl het schemert en een vogel klaagt.
86