EXTASE.
Op den gewijden grond tegen de Muur,
Lig ik van alles ontdaan, uur en uur.
Het Lijf verdwijnt sidderend in 't Heelal.
Dit is het Uur, dat God mij spreken zal.
LIJDZAAM.
Tegen mijn hoofd voel ik de harde steenen Maar in mijn hart, hoor ik de stem van God. Meer leed dan lief ging door mijn dagen henen Maar ik berust en draag lijdzaam mijn Lot.
MIJN ONTROERINGEN.
Ontroeringen; een bron, die ruischend breekt. Een roode rozenstruik in het ravijn.
Een kind, dat lacht, maar nog geen woorden
[spreekt.
De zon spelend met een glas rooden wijn
HARTERAAD.
Geniet elk oogenblik de Lust,
Die door uw ziel en zinnen trekt.
Vóór dat gij neerligt in de Rust Waaruit geen God u wekt.
DE BRON.
Een kleine Knaap: hij komt koel water halen Voor zijne moeder uit de diepe bron.
Met al de knapen van het dorp, veel malen.
Hij lacht.... ik dacht, dat hij 'tniet dragen kon
85