BEMOEDIGING.
Vanmiddag heb ik Jesajah gelezen.
Toen ben ik naar de Tempelmuur gegaan.
O, Rest van Israël: wat is uw vreezen?
Eeuwen heeft in ons hart de Muur weerstaan.
MOED.
God heeft mij naar dit Land doen gaan.
God laat mij verlangend in dit Land blijven. Wat ook de donkre haters drijven,
Zoolang God steunt, zal ik weerstaan.
AAN ALLE VRIENDEN.
O, schrijf mij dikwijls uit Holland een brief.
Gij zijt zöo. ver en ik ben zóó alleen.
Meer dan ik dacht heb ik u allen lief.
Meer dan gij weet is het, dat ik hier ween.
ONMACHT.
Alles is niets: de waanzin en de wijsheid.
Hier bouwt de Muur. Daar bouwt Jeruzalem. Wat blijft van uw jeugd? Wat blijft van de Wat van uw lach en van mijn stem? [grijsheid*
TROOST.
Ik heb te Jeruzalem veel geleden.
Maar dit is het heil, dat het leed vergoedt.
Dat ik des avonds, ten stille gebede Bij de Klaagmuur Gods genooten ontmoet.
84