LICHT EN LEVEN.
Al wat wij licht noemen is maar een schaduw Van God, het Eenig Schaduwlooze Licht.
Al wat wij leven noemen is een waduw,
Die wegwaait voor Gods aangezicht.
ONDERWERPING.
Wie nimmer bitter met God heeft gestreden, Hij kent de weelde der nederlaag niet, Wanneer weder door zijn ontspannen leden, Het geluk siddert van het Heilig Lied.
WEELDE.
Wier wegen nooit door het donker dal gingen, Wat weten zij, hoe een weg naar God stijgt? Wat weten zij, hoe vol herinneringen,
Het moede hart naar Gods verlossing hijgt.
TWEESTRIJD.
Zoo zeker als de nacht is mijne zonde.
Zoo zeker als de dag is mijn berouw.
O, hart, verpest met eene pracht van wonden, O, ziel, gezegend met feillooze trouw.
GODS WRAAK.
De eerste granaten van het jaar gebroken. Wat is het verschil met het laatste jaar?
God heeft zich weder nog dieper gewroken.
De zoete vruchten proeven zwaar.
185