HET GOEDE LAND.
De markt is bont met vele vruchten.
Het leven gaat in volle drift.
Het Heilig Land heeft zoete luchten.
En keert voor weinig, gulle gift.
GOD.
Ik smeek tot U uit mijne diepste ellende. Schoon ik zeker weet, dat Gij niet bestaat. Waarom komen mij nacht en dagen schenden De weelden van het meest-geschuwde kwaad?
ZIEK.
Mijn ziel is ziek van zonden als melaatschheid, Boeten noch beden baten mij.
Wat nut mij of ik belijdend het kwaad mijd, Geen zonde gaat mijn huis voorbij.
GODS ALMACHT.
Zeg niet: „God is ons een God zonder zonden” Al onze zonden zijn zonden van God.
Onze wonden zijn builen van Zijn Wonde.
Zijn Lot besluit ons lot.
EN MORGEN?
Wie heden 't Boek van zijn Kwatrijnen sluit, Wat zal hij morgen met den Dag beginnen? Geen leven komt buiten zijn grenzen uit.
Deze: Eeuwigheid, Oogenblik, Ziel en Zinnen.
186