IN GOD.
Vrees niet. God kan u niet verlaten,
Gelijk gij Hem ook niet verlaten kunt.
Geen grooter vrijheid viert gij met uw vrije Dan God in God u gunt. [maten,
ZEKERHEID.
Ik ben van God zóó zeker,
Als God is van mij.
Geen zoete en niet één donkre beker,
Gaat mij voorbij.
WAANZIN.
Want dat ik, zat van zinnen, zat van leven, Altijd weer nieuwe zatheid zoek.
Dat ik door lust en waanzin voort gedreven, God te Jeruzalem vervloek.
TROOST.
God kan u niet van uwe zonden reinigen, Omdat uw zonden Zijne zonden zijn.
Wat zult gij dan uw angstig hart nog pijnigen? Geen roos bloeit zonder doornen in het Salt-
[ravijn.
ANGST.
Vergeef, o, God, vergeef, is het geen laster,
Dat mijne zonden Uwe zonden zijn?
O, voer mijn voeten veiliger en vaster,
En houdt mijn hart van laster rein.
184