EENHEID.
Neen, zeg niet: „God en Satan beide”
Alles is God in God alleen.
Al vale schuld en al het lijden,
Alle vreugd en geween.
EENHEID GODS.
De Dag en Nacht zijn niet gescheiden.
Wat is vaster dan zij verbonden?
Zoo zeg niet: „God en Satan beide”
God draagt alles, ook zeerste zonden.
STRIJD.
Ikdacht te strijden tegen God.
Maar God strijdt met zichzelf in mij.
Geen vroom en geen zondigend lot Is van God vrij.
DE BRON.
Die zooveel waagde en nimmer won,
Die wankelde van wellust naar gebeden,
Hij legt zich met ledige leden
In de schaduw bij den Aïn-Fara bron.
GODS WIL.
Gods wil is willoos. Zijn Genade Kiest waar hij kiezen wil.
Zoo voert Hij mij langs al zondige paden Naar den Klaagmuur in den maanavond stil.
183