WANKELEND.
Bij den wijn verlang ik naar mijn gebeden. Bij ’t gebed verlang ik naar mijne dronk. Altijd vervloek ik de lust van mijn leden, Die God genaadloos schonk.
TWIJFEL.
Zijn handen houden hoog de Wet geheven. Wat hebben zij vannacht tastend gedaan? O, God, red mij van dit twijfelend leven. Laat mij bezwijken of weerstaan.
ANGST VOOR GOD.
Zij zullen nog mijn liedren lezen,
Als ik geen liederen meer lees.
Zij zullen in beklemming vreezen,
God, dien ik heden vrees.
DE VOLLE BRON.
Het blauw des hemels in het blauwe water. En zilverwit de zon.
Over den rand slaat met een vol geklater De hartslag van de bron.
ONRUST.
Die te Amsterdam vaak zei: „Jeruzalem” En naar Jeruzalem gedreven kwam,
Hij zegt met een mijmrende stem: „Amsterdam. Amsterdam.”
176