RUST.
Zijn Tijd en Eeuwigheid niet overal gelijk?
En wijn? En rozen? Lachen en geween? Zoolang wij leven, is het leven rijk.
En in den Dood? Dat weet Allah alleen.
KLAAGMUUR.
Jeruzalem: hier is God wreeder,
Dan Hij in één Stad is geweest.
De Klaagmuur: ik buig mijn hoofd neder,
In een Gebed, dat beeft en vreest.
SCHOONHEID-VROOMHEID.
Laat mij niet leven zonder lied.
Laat mij niet leven zonder Gods gebed.
Ach: angstig wanklend weet ik niet,
Of Schoonheid of dat Vroomheid redt.
GEBED.
Wie liedren leest, verzinkt als in gebeden.
En is het gebed niet schoon als het heilig Lied? Een huivring voeren beiden door mijn leden. Maar of God bestaat, weet één Dichter niet.
GEWOND LIED.
Mijn lied is als een open wonde,
Omdat mijn hart is als een wond.
Overal gezocht en nergens gevonden,
Dan één vrees voor den laatsten stond.
175