HEETE NACHT.
Op ’t heilloos bed woelen mijn doffe leden.
De hartstocht moordt en martelt mij.
Daar klinkt een zilver klinglen van beneden Een karavaan kameelen vaart voorbij.
BEKEERDE JONGEN.
Die zich tot den dienst van Christus bekeerde, En eens een vrome, Joodsche, jongen was,
Wat is de gloed, die zijn lief hart verteerde, Toen hij ’t Boek, dat ik niet lezen wil, las?
OP REIS.
Zoek na honderd jaar, die mij thans bekoorde. Drink nog eens dezen wijn zoo zoet en teer.
Al wat één Oogenblik het Oogenblik behoorde, Neemt zich de Eeuwigheid weer.
VOORBIJ.
Wat de Eeuwigheid voor ons eeuwig bewaarde En ons één oogenblik genietend gaf,
Neemt hij (wat baat het of ge uw lusten Voor eeuwig ons wreer af. [spaarde?)
EEUWIGHEID.
Laat de Eeuwigheid dan sterk en eeuwig wezen, Hij kan zich toch slechts verkeeren in ’t Oogen-Dit is het: wagen zonder vreezen, [blik.
Genieten zonder schrik.
177
Kwatrijnen. 12