DWAASHEID.
Hij zegt: „Omar Khayyam heeft niet geschreven, Alle kwatrijnen, die op zijn naam staan” Geleerde Dwaas: heeft het Lied minder leven, Omdat de Naam des Dichters is vergaan?
TALAL EN NAIF.
De kleine Emirs zijn samen uitgereden.
Nu rijden wij ook rustig door het dal.
Het Land ligt wijd in verren avond vrede.
De kudden keeren overal.
EMIR ABDALLAH.
De Emir zegt: „Maar de Tijd is héél verstandig. Hij gaat zijne wegen, gelijk hij moet.
Wat menschen bederven, boos of onhandig,
Dat maakt de Tijd weer goed.”
GELUKKIGE AVOND.
Dit is wel een avond om te verdroomen.
De beek, die langs de tenten gaat.
De zilverschaduw door de donkre boomen.
En 't hart, dat niets begeert en rustig slaat.
BEDOUIENEN.
Het brood is het brood van hun eigen akker, Waarbij geen brood van vreemde handen haalt. De kruik is het werk van den pottenbakker,
Die nog met graan en vijgen wordt betaald.
174