KAMP VAN DEN EMIR.
Het heete van den Dag vergaan, wanneer wij
[komen.
Er is het witte en zwarte licht en schaduwspel. De paarden staan gebonden aan de boom en.
De dienaars dragen water uit de wel.
KOSTBAAR WATER.
Hier, waar ’t water duur is, leert men beminnen, Een wel verscholen in den diepen grond.
En met een vreugd, die vaart door ziel en zinnen, Voert men de koele kruik naar zijnen mond.
MOHAMMED.
„Wanneer mijn Heer iets wil, moet hij maar
[klappen in zijn handen” Zegt de kleine Knaap: „Ik zal slapen vóór de
[Tent.”
Het laatste licht en de laatste schaduw over de De Nacht komt groot en onbekend. [landen.
NAZIEF.
Hamid Pascha heeft hem het paard gegeven, Dat Nazief al zoo héél lang heeft verlangd Hij geniet de eerste geschenken van ’t Leven. Terwijl wroeging door mijne leden wrangt.
ANGSTIGE NACHT.
Er is geen licht, geen schaduw meer De Nacht sluit dicht en zwart.
Kondt gij nu rusten van uw zeer.
O, mijn deerelijk hart.
172