DE VOLLE BEKER.
Geen God kan ons het Oogenblik ontrooven. Maar ook: geen God geeft het Verleden weer.
De druiven rijpten in hun hoven.
Hier is de wijn, zóó diep en teer.
DE WIJNKRUIK.
Vrees ’t Oogenblik niet. Geen kan het vermijden. Vrees het Verleden niet: het is voorbij.
De koele kruik tusschen ons beiden.
En gij alleen voor mij.
VERGEEFSCHE VLUCHT.
Vlucht. Maar uw schaduw kunt gij niet ont-A1 waren uw voeten als vogels snel. [vluchten, Vlucht niet. Het is vergeefsch. En wat te God kent ons en vergeeft ons wel. [duchten?
WELLUST.
In het maanlicht, in het rozenravijn.
Het water, dat diep welt O, God: ik dank u voor de pijn,
Die mijn bloed kwelt.
GENIET UW DAG.
Vraag niet, waar 't. uur van gistren is gebleven Vraag niet, waar 't uur van heden henengaat. Geniet uw leven lang van ’t goede leven.
Eén Oogenblik verzuimd is voor Eeuwig te laat.
171