DE ROZEN.
De rozen van Es-Salt vol in de knoppen.
Zóó rijpt ieder Oogenblik in den Tijd.
Mijn handen beven en mijn lippen kloppen.
O, rozen rood van heerlijkheid.
WIJN.
Drink ik den wijn in ongemeten maten?
Of is mijn lied verliefd op het woord „wijn”? Hoe menigmaal, met mijn droef lot verlaten, Troost wijn en lied voor schuwe pijn.
HET LIED.
Wat is het, dat mijn Liedren drijft?
De wijn of enkel maar dit woord?
Terwijl mijn hand de woorden schrijft,
Wordt het hart door de dorst bekoord.
GELUKKIGE DRONK.
Van drinkers heb ik 't blijde Lied gelezen.
Vóór ik een Dichter en een Drinker was.
Mijn hand: beef niet. Mijn hart: laat af van
[vreezen.
Het lied is heerlijk en een beker keert men ras. TWIJFEL NIET.
Meer is een Dwaas, die leeft, dan een Dichter,
[die dood is. En den verloren Tijd vindt niemand weer. Twijfel niet, wijl de wijn nog vol en rood is.
Uw mond dorstig en teer.
170