STRIJD.
Met God heb ik gestreden,
Aan God geef ik mijn Lied.
Vreugd, wroeging en gebeden:
Meer heb ik niet.
GEVAAR.
Wat ben ik zonder God?
Wat is God zonder mij ?
Ik duizel.... het is voorbij.
Ik lijd mijn lot.
ALLES VAN GOD.
De vlinders, de vogels, den wijn, de zonden,
Die God rijk over de Aarde zendt,
Hij laat hen niet los. Zij blijven verbonden Aan Hem in één verbond, dat niemand kent.
NACHT.
De tastende ontucht van uw teedre handen. Het duister .... geur van rozen en van wijn. Morgen zal wroeging weder wreeder branden. Maar heden: laat ons zalig zijn.
VERLAMD.
Tot diep in den Nacht heb ik niet geslapen.
Ik heb geleden en aan u gedacht.
Nu roept de Dag mij weer tot werk en wapen. En mijn verlangen maakt mij zonder macht.
169