AAN
Ik kan toch altijd aan u denken,
Schoon ons een weg van weken scheidt. Vraag mij niet meer, dan ik kan schenken: „Het lied, dat ons lot beschreit.”
DE ROZEN VAN ES-SALT.
Wij zijn langs het bergpad gereden,
Dicht aan den rand van het ravijn.
De rozen bloeiden diep-beneden.
En geen plukt rozen zonder pijn.
GOD ALLEEN.
Of God bestaat en of Hij hoort Het smeeken van mijn machtloos woord, Of Hij siddert bij mijn geween Weet God alleen.
DROEVE NACHT.
Een nacht van geweld,
Een nacht van geween.
Als vogel de ochtend meldt,
Is nacht voor altijd heen.
DE STROOM.
Van den Dag het drijvend verlangen.
Van den Nacht de zalige droom.
Het is alles gevangen In één gevangen Stroom.
168