ONBEVREESD.
De vogel, die het hoogste zingt,
Heeft zijn nest in het diepe dal.
O, hart, wanneer de vreugde u dringt,
Vrees voor geen val.
KALME NACHT.
Na de drift van den dag,
De rust van de Nacht.
Na waag en winstbejag
Het Lied, zoo wonder, wonderzacht.
VERLOREN NACHT.
Wat zal ik slapen?
De Tijd vergaat.
Geen list, geen wapen,
Dat hem weerstaat.
VERGEEFS.
Slaap of waak ’t Is alles één.
Als de ochtend naakt Is de Nacht eeuwig heen.
DANKBAAR.
Dankbaar voor het weidsche lied. Dankbaar voor het klein kwatrijn.
Ik hoor het water weer, dat wellend vliedt, In de diepten van 't rozenravijn.
167