DE GIDSEN.
Jozef en Benjamin: twee stoute rakkers,
Rijden met ons op mooie paarden mee,
Door de Bazar en langs de pottenbakkers,
Door gerstvelden naar de zonnige zee.
WEEMOED.
Er is de zachte, zoele, wind.
Er is de weemoed, die ons nooit verlaat.
Wat baat de dag, die vroeg begint.
En 's avonds met den wind vergaat?
GAZA.
Zoo zal ons dit van Gaza blijven:
Het huisje, waar men zeven vlecht,
Waar pottenbakkers hun wiel drijven.
En de twee jongens lief en slecht.
BLIJHEID.
Hun vader is een boer geweest In Rusland en het lot heeft hen verdreven.
Zij hielden toen ook paarden. Welk een feest, Dat wij hun vrijheid over onze paarden geven.
AFSCHEID.
Wij rijden hier. Zij wuiven ginder De twee knapen, Jozef en Benjamin.
Heeft men een stad niet dikwijls lief voor minder Dan voor twee jongens stout van zin?
164