BAZAR.
De donkere Bazar met zijne straten.
En ieder winkeltje eene warme nis.
Daar zitten de kooplieden zóó gelaten Of handel wijsheid is.
KLEIN LEVEN.
Zij drinken kleine koffie-kopjes.
De kleine koffie-knaapjes gaan Sierlijk gekleed op^roode slofjes,
En brengen af en aan.
TWIJFEL.
Het dorp Bêt-Iskahil. Eskol misschien Waarvan ’t Verhaal van de Verspieders spreekt. Zijn wij nu sterker? Trouwer? En verbreekt Ons Volk zijn ban? Wie zal de Vrijheid zien?
DORSCHTIJD.
Het kleine dal: een luid en bont gewemel Van mannen, die het koren slaan.
De huizen laag en hoog Gods diepen hemel, Waarin de vogels vallen en vergaan.
NACHTRIT (BERSEBA).
„Heer” zegt manend onze kleine Fouad „Ziet naar de sterren. Zij staan laat”
Wij keer en stappend naar de stille Stad,
Terwijl de Nacht reeds schemerend vergaat.
163