ZACHTE WINTER.
De winter brengt hier menig lentemorgen,
Van zachte zonneschijn en heerlijkheid.
Wat houdt het leven nog voor ons verborgen? Vraag niet. Geniet uw tijd.
GEHEIME GELEIDER.
Als ik niet een Geleider had,
Hoe zoude ik dan, geslagen en verblinde, Doelloos verdwalend uit de Stad U hier, bij de bron slapend, hebben kunnen
[vinden?
AFRIT.
Twee eigen paarden met een mooie wagen.
Een knaap, die ons lieflijk bedienen zal.
Daar liggen voor ons vele vrije dagen,
Zoo heerelijk als de vlakte en het dal.
HEBRON.
Aan weerszij van den weg de goede gaarden, Wij zijn moede, maar met vreugde in de ziel„ Wij komen van El-Kuds met onze paarden, Naar de Stad van Abraham, El-Khalil.
TEVREDEN.
Want Allah heeft ons wel héél lief vandaag. Hoe zacht en zonnig is het lenteweer.
De heuvelen van Juda, en daar vaag Over de zee Moab’s bergen zóó ver en teer.
162