GEPIJNIGD HART.
Iedere hartslag doet mij pijn.
En hoeveel slagen gaan er in een leven?
Ik heb te veel genomen en te veel gegeven.
Wat zal het einde zijn?
GELUKKIGE HEUGENIS.
Het bittere verdriet doet nooit vergeten,
De zoete vreugde, die eens is geweest. Verslagen in een eenzaam huis gezeten,
Geniet ik nog heugnis van ieder feest.
LAAT MIJ ALLEEN.
Denk niet: „wat is hij arm, wat is hij eenzaam.” Alleen de zwakke is arm in eenzaamheid.
Mij is 't Lied van zooveel dichters gemeenzaam. En 't eigen lied troost den Dichter, die lijdt.
HASSAN.
Zijn moedertje ontdoet hem van zijne kleederen Het water rimpelt van het kleine bad.
Mijn hart siddert in één geschuwd vertederen. Is Jeruzalem niet Gods heiige Stad?
HET WAARDLOOS LIED.
Ik weet het wel: de wereld breekt in rampen. Ik schaam mij voor de kleine schoonheid van
[mijn lied.
Wreed wonder, waar de volken bloedend
[kampen,
Zingt mijne ziel getroost van 't wonder, dat zij
[ziet.
158