EENHEID.
Als Gods heilige Wet wordt voorgelezen,
Denkt gij, dat ik één vrije lust vergeet?
En elke lust genietend zonder vreezen Denkt Gij, dat ik Gods Wet niet weet?
ALLES VAN GOD.
De menschen hebben lust en leed gescheiden. Maar God houdt hen als dag en nacht te saam. Ik ken de lust. Ik ken het hevig lijden.
Ik loof Gods éénen Naam.
AAN DE LATEREN.
Wat ik geschreven heb, dat blijft geschreven. Wat ik misdreven heb, dat is gedaan.
Ik sterf getroost. Maar zij, die later leven Zullen mijn lied, mijn leed en mijn hartstocht
[verstaan.
GODS GAVEN.
Mijn vroomste liederen heb ik geschreven, Wanneer ik opstond van het zondig bed.
God heeft mij een schat van zonden gegeven, En God alleen heeft mij van mijn zonden gered.
VERGANKELIJKHEID.
Wat morgen wezen moet, zal morgen wezen. Wat heden is, zal morgen niet meer zijn.
En gisteren .... o, geniet zonder vreezen Uw deel van dezen teedren wijn.
*57