HEBRON.
Zij, die praten, die peinzen en die handelen, Zitten in de bonte bazar bijeen.
Wij koopen druivenkoeken met amandelen.
En gaan dan, genietend den morgen, heen.
GELATEN.
De kleine woorden van den dag zijn weer gesproken.
De kleine dingen van den dag zijn weer gedaan, 't Geluk, dat ik verwachtte, is niet ontloken.
Ik kan gelaten slapen gaan.
GODS WIL.
Gods wil heeft mij goede wegen geleerd.
Zijn wil laat mij de kwaadste wegen gaan.
Door vroomheid en vreugde word ik verteerd. Veel gebeden, niets weerstaan.
TEVREDEN.
Wat niet voor mij is, zal ik niet verlangen.
Van wat voor mij was, heb ik mij ontdaan.
Ik ben tevreden met de kleine zangen,
Die in vier regels mijmren en vergaan.
DROEFHEID.
Als ik niet slapen kan, wie brengt tot slaap Den slag van mijn geslagen hart.
Ik ben zóó moede .... ik was een Knaap.
Het is alles niets. Dood en zwart.
152