GETEMD VERLANGEN.
Laat mij niet meer dan de lach van dit kind. Niet meer dan het zacht ruischen van den wind. Een weinig wijn en de schijn van de zon.
En de rozentuinen van Katamon.
ONTWAKEN.
Heugenis van den wind.
Verlangen naar den wijn.
Ik worstel met een grove pijn Terwijl de dag begint.
TIJD.
Er zingt een vogel diep in ’t blauw.
Een klok wijst onzen dag en wijst ons uur. Vraag niet naar vreugde en niet naar rouw, Elke dag houdt slechts eenen dag zijn duur.
JOODSCHE NIJVERHEIDSSCHOOL.
Zij smeden Torens voor eene Wet, die zij
[schennen.
En Luchters voor een Feest, dat zij niet vieren. Maar eens zal ons vroom Volk zich zelf weer
[kennen,
En 't Heilig Land met heilige kunst sieren. MIJN LIED.
Ik ben geen groot, ik ben niet een wijs Dichter, Mijn lied zingt enkel zinnelijk en teer.
De voeten van mijn vers gaan licht en lichter, Wijsheid .... grootheid .... maar is muziek
[niet meer?
153