VERLATEN.
Niet één heeft zóó goed het goede geweten.
Niet één heeft zóó slecht het slechte gedaan.
En nu: verlaten voor mijn vuur gezeten,
Zie ik mij-zeiven aan.
VERLOREN.
Gij drinkt den wijn. Ik drink uw donkre kussen, Die beter zijn dan de gedegen wijn.
Geen tranen kunnen mij de branding blusschen, Diep in ’t hart van mijn zoet-wroegende pijn.
HEBRON-BERSEBA.
Er vliegt een vlucht van kleine kwartels.
Een arend vaart gestadig door de lucht.
Mijn hart bezint zich op iets liefs en dartels. Maar voor ik goed weet is ’t ontvlucht.
IN HET VOORBIJGAAN.
De schapen met hun kleine schapen.
De geiten met hun dravend kroost.
Gesteund op hunne stok de herdersknapen, Wier blik, als wij voorbijgaan, peinst en poost.
MACHTLOOS.
Ik lees mijn liederen. Ik voel het leven.
Straks leest een Knaap mijn lied en ik ben dood Dan sterft ook hij. Geslachten gaan gedreven. En wat hen drijft, weet geen in drift en nood.
151