VREUGDE.
God en mijn ziel zijn één.
De lente is tusschen ons beiden.
Over sterren en tijden Wiekt mijn lied heen.
GELUK.
Het Lied, van God gekomen,
Zingt zich naar God weer uit.
Het dal.... de bronnen stroomen Waar de hooge vogel fluit.
LENTE-AVOND.
Alleen, maar niet verlaten.
Gods Liefde is overal.
Jeruzalem . . . ., zijn straten,
In den schoónen avondval.
EEN KLEIN KWATRIJN.
Avond. Vroeger heb ik in trots geschreven, Liederen machtig van vreugde en van pijn Mijn dag berust. En mijn gelaten leven Is niet grooter dan dit siddrend kwatrijn.
OOK VERGEEFS.
Bij wijn en wellust heb ik mij gelegd.
Bij wijn en wellust is de nacht vergaan.
's Morgens ben ik wreed opgestaan.
„Is dit alles?” heb ik gezegd.
150