SINT-KILDA.
Waar is het schip Sint-Kilda? ’k Was een Knaap. Toen nam de schipper mij mede aan zijn boord. Weer staat de storm. Door droom en slaap Heb ik vannacht zijn stem gehoord.
GESCHEIDEN WAAK.
Waak gelaten. Ween niet In uwen verlaten nacht.
Die gij ver alleen liet Waakt als gij de wacht.
ANGST.
De storm staat op. Het angstig duister Siddert geslagen door den wind.
Mijn hart slaat groot. Ik wacht. Ik luister Van God ontzind.
WIJNDRONK.
Wie dezen nacht ontmoeten?
Ziel of zinnen?
Laat den wijn ons lot verzoeten,
En laat ons hart verrukt beminnen.
LENTE.
Stil: de lente is over het Land gekomen.
De Aarde wacht sidderend zijn zalig lot.
Ik herken mijn daden niet en mijn droomen, Mijn lied, mijn ziel en God.
149