ONTROERING.
Ik weet, waar de Eeuwigheid mij heeft bevangen: Waar de sparren dicht aan den landweg staan. Waar wij verzadigd van lust en verlangen Te paard naar Nebi-Samwil zijn gegaan.
EENHEID.
Hoe zijn twee bloeddroppels samen verloren, En hoe gevangen in één hartestroom.
Al wat ik heb zal u gelijk behooren,
Mijn lied, mijn daad en droom.
EEN NAAM.
In uwe naam is al muziek gevangen.
Ik zeg uw naam, de muziek zingt zich weer.
Al mijn onrust, al mijn tuchtloos verlangen Wordt, als ik uw naam zeg, rustig en teer.
VREDE.
Was ik geen Dichter, ik was het geworden, Door het hooren van uwen schoonen naam. Alles wordt stil, wat machtloos in mij morde. Dit is mijn land en hier rijden wij saam.
AAN......
In de wind hoor ik de wijde zee.
Wind en zee tusschen ons beiden.
De storm staat op. O, lijd gedwee.
Als de wind waaien de tijden.
148