SPOORWEGARBEIDER.
Hij slaat zijn sterk gebaar. Het is verdwenen. Een Oogenblik in de Eeuwigheid gestaan. Straks dreunt de trein weer langs zijn baanweg Hoe is in het werk het werken vergaan ? [henen.
NIMMERMEER.
Kon ’k nog eens met de Rose Castle varen, Over die Zee van spiegels als een meer.
Maar verloren zijn de verloren jaren.
En geen Eeuwigheid brengt een genoten Oogen-
[blik weer.
VERLOREN.
Een oogenblik: ’t oogenblik is verloren.
Geen eeuwigheid wint het eeuwig weerom.
Wat zal ik zingen en wat zult gij hooren?
Een Dood maakt uw oor doof en mijn mond
[stom.
LEEGTE.
Ik ken de proef van zooveel zachte monden.
Ik ken het zoete en het bedroevend lied.
En dit is ’t eind van wat ik heb gevonden:
Een leegte, die zich nooit verzadigd ziet.
RUSTIG ONTWAKEN.
Meestal roept de Nacht mij wakker,
Voor de Dag begint.
Over heuvel, over akker,
Wijken sterren, wijkt de wind.
147